Geschreven door Patrick van 't Hooft Helden telt tegenwoordig zo’n 800 inwoners van Turkse of Marokkaanse afkomst. Maar toen Mohamed Amhaouch in 1964 in Panningen uit de bus stapte op zoek naar werk, was hij een exotische verschijning. In zijn huiskamer in de Vincentiusstraat blikt hij terug op zijn eerste jaren hier, een periode vol collegialiteit en hulpvaardigheid. Het verhaal van de eerste Marokkaanse gastarbeider in Helden.
Het moet een merkwaardige ontmoeting geweest zijn. Mohamed Amhaouch (66) weet de datum nog precies: “20 oktober 1964. Ik had al een jaar in Reuver gewerkt. Maar dat was erg zwaar werk. Toen ben ik op een dag in de bus gestapt op zoek naar ander werk. Puur toevallig ben ik toen in Panningen uitgestapt.” Hij zit in de luie stoel, de Marokkaanse thee en de koekjes staan op tafel. Af en toe spreekt hij even Berbers met zijn zoon Allal, die soms extra uitleg geeft als het Nederlands van zijn vader wat tekort schiet.“Ik ben de bus uitgestapt en naar binnen gegaan bij dat café naast die sportzaak (Dotje – pvth). Daar was een dochter van de cafébaas die een beetje Frans sprak, dus ik zei: ik zoek werk, zijn er hier ergens fabrieken? Zij heeft me toen de weg naar het industrieterrein gewezen. Daar ben ik naar toe gelopen, en heb ik op allerlei plaatsen gevraagd of ze werk hadden. Bij de Blerickse Buizenfabriek ben ik toen aangenomen.”
26 jaar eerder was Mohamed Amhaouch als zoon van een politieman geboren in een klein Berberdorp in Noord-Marokko. Op zijn 23e trouwde hij. Maar zoals zoveel jonge mannen ging hij -inmiddels vader van een kind- op zoek naar werk in Europa. Zijn droom was om een jaar of vijf in het buitenland te gaan werken, om dan in eigen land met het gespaarde geld een winkeltje of een café te beginnen Frankrijk was zijn eerste doel. Na een jaar van losvaste baantjes vertelde een Marokkaanse collega hem over zijn broer die in Limburg in de mijn werkte. Ze besloten samen om eens te gaan kijken in dat onbekende land. “Ik wist niks van Nederland. Nederland was alleen bekend van de plaatjes op de melk, met een koe erop.” Met de trein reisden ze naar Sittard, en toen meteen door naar de kantine van de mijn om de broer te zien. Maar wat Amhaouch daar zag beviel hem allerminst: “ Je zag daar mensen met gewonde voeten, of een arm in het verband. Ik dacht: dat wil ik niet, en ik vroeg of er geen ander werk was. Toen zijn we naar Reuver gereisd. Daar kreeg ik werk bij Teeuwen rioleringspijpen. Ik heb daar een jaar gewerkt. Maar dat was ook heel zwaar werk, dus ben ik iets anders gaan zoeken.”
Dat werd de buizenfabriek in Panningen. Daar trof hij het met zijn nieuwe personeelschef. Jo Willems heette hij, een naam die in het verloop van het gesprek nog enkele malen met veel dankbaarheid wordt uitgesproken. Hoe dat eerste gesprek gegaan moet zijn laat zich een beetje raden. Amhaouch: “De personeelschef sprak geen Frans. Maar hij had toevallig op zijn kantoor een Frans-Nederlands woordenboek liggen.” Willems nam hem aan en regelde meteen huisvesting: een kamer bij een echtpaar in de Ondersestraat, in Helden-Dorp.
Vooral de eerste jaren werkte Amhaouch keihard: “Ik werkte in die tijd twee ploegendiensten achter elkaar: van 6 uur ’s morgens tot 3 uur ‘s middags, en dan door tot half 12 ’s avonds. Aluminiumpersen. Om drie uur vroeg de personeelschef dan: Blijf jij hier? Ja? Dan liet hij bij een frituur een half haantje en friet voor me halen. Ik was nog jong, ik wilde graag werken.”
In de buizenfabriek was hij nog een hele tijd de enige Marokkaan. ‘François’ heette hij daar - waar die naam vandaan kwam weet hij zelf ook niet. Die eerste tijd in Nederland waren niet makkelijk. Familie ver weg in Marokko, de kou, de taal, het was leven in een vreemde wereld. “Soms ging ik drie, vier keer terug naar een winkel omdat ik iedere keer niet duidelijk kon maken wat ik wilde. In de tijd dat ik bij Teeuwen werkte ging ik een keer naar een voetbalwedstrijd kijken. Toen ik daar aankwam keek niemand meer naar het voetbal, maar keken ze allemaal naar mij. Toen ben ik maar weer gegaan. Ik werd toen wel heel erg bekeken. Maar de mensen waren wel behulpzaam.” Ook in Helden viel hij op. “Op een zaterdagmiddag zag een zuster (wijkverpleegster – pvth) mij op straat. Ze nodigde mij uit om bij haar koffie te komen drinken. En ze vroeg me: wil jij Nederlands leren? Ik kende toen het Nederlandse alfabet nog niet, alleen het Arabische. Bij haar heb ik toen Nederlandse les gehad. Ze zei ook: Als je geen werk hebt kun je altijd bij mij koffie komen drinken. Haar naam was zuster Smeets.” Zoon Allal hoort het verbaasd en geamuseerd aan: “Dat zou vandaag toch niet meer gebeuren, dat je zo door een vrouw wordt uitgenodigd!” Sommige delen van zijn vader’s verhaal hoort hij vanmiddag ook voor het eerst, en hij volgt het met stijgende interesse.
Ondertussen was Amhaouch senior op allerlei adressen in Helden in de kost. Via zuster Smeets was hij Nederlandse les gaan nemen bij de bekende Dörper onderwijzeres juffrouw Doortje Timmermans. Niet veel later kon hij daar een kamer huren. “Bij juf Doortje woonde toen ook juf Marie, ook een onderwijzeres, en tante Lisa de huishoudster, en ik. Ik weet dat ze wel eens tegen juf Doortje hebben gezegd: ik snap niet dat jij die zwarte man in huis neemt. Maar verder heb ik toen van discriminatie niet veel gemerkt.“ “Na een paar maanden bij juf Doortje zei ik: ik wil graag een eigen huis, zodat ik mijn familie hierheen kan halen (inmiddels waren er twee kinderen - pvth). Op een dag zei juf Doortje dat ze in de krant een huis te koop had gezien dat misschien wel wat voor mij was, in Koningslust aan de Poorterweg. Toen ben ik met de personeelschef, Jo Willems, en de directeur gaan praten. Ik liet ze de advertentie zien en zei dat ik dat huis wilde kopen, dat ik vrouw en kinderen wilde halen, en of ze me konden helpen. De directeur en de personeelschef zijn toen allebei naar het huis gaan kijken, en hebben toen een lening geregeld. Drie, vier man van de fabriek hebben toen geholpen om de woning op te knappen. Nieuwe wc erin, nieuwe douche, nieuwe gordijnen. Ik heb toen heel veel hulp gehad, en allemaal bijna voor niks.” Zijn toenmalige personeelschef verdient nóg een vermelding: “Ik was in Marokko geweest om mijn vrouw en kinderen te halen. Voordat ik ging had mijn personeelschef tegen me gezegd dat ik vanaf Brussel moest vliegen, dat was goedkoper. En hij zei dat ik geen treinkaartje moest kopen als ik terugkwam. Ik moest hem maar opbellen, dan zou hij me komen ophalen. Toen ik in Brussel was geland belde ik Jo Willems dus op. Het was op een avond. Was hij net de verjaardag van zijn dochter aan het vieren! Toen zei hij: neem een goed hotel, geef je kinderen goed te eten, morgenvroeg om 9 uur ben ik bij je om je op te halen.”
Na zo’n 9 jaar in Koningslust verhuist de familie Amhaouch, inmiddels zeven leden groot, naar de Lambertusstraat in Helden-Dorp. Het zesde en laatste kind, een dochtertje, wordt daar geboren. Vader werkt dan bij Pope, de Marokkaanse familie begint langzaam wortel te schieten in Helden, de kinderen gaan naar de middelbare school. “Ik heb altijd tegen mijn kinderen gezegd: jullie moeten goed studeren. Ik heb in een overall gewerkt, maar jullie moeten dat niet gaan doen.” De kinderen hebben de raad van hun vader opgevolgd. Ze werken als gemeenteambtenaar, ingenieur, in het magazijn bij Océ en op de afdeling expeditie van Bruynzeel. Zoon Mustafa is inmiddels fractievoorzitter van het CDA in de Heldense gemeenteraad. “Daar is mijn vader best trots op,“ weet Allal, die zelf voorzitter van het plaatselijke allochtonenplatform is. “Mijn vader knipt de krantenstukjes waar mijn broer in staat altijd uit.”
De band met Marokko wordt ondertussen steeds losser. “Ik dacht eerst nog: ik blijf in Nederland tot mijn pensioen, en ga dan terug. Maar nu weet ik dat ik hier blijf. Ik ben hier gelukkig. Mijn kinderen en kleinkinderen zijn hier. Als ik terugga ben ik een vreemde in eigen land. Ik heb in Panningen al mijn vier zoons wonen (de beide dochters wonen elders). Waar je gelukkig bent, daar is je land.” Daar doet zelfs de toegenomen spanning tussen allochtonen en autochtonen weinig aan af. “Ik vind het heel jammer. Je hebt goede en slechte mensen. Je kunt niet zeggen dat als iemand iets fout heeft gedaan, dat dan de hele groep fout is. Ik ben nu 41 jaar hier. De mensen die me kennen denken nu niet anders over mij, maar ik loop nu toch anders door het dorp. Ik vind het verschrikkelijk.”
We spreken elkaar twee weken nadat de moskee in Helden is afgebrand. Ergens in de huiskamer staat een vaas met een boeket bloemen die al wat beginnen te verwelken. Ze zijn meteen na de brand gestuurd door juf Doortje, de vrouw waar hij bijna 40 jaar geleden een kamer huurde. Mevrouw Amhaouch komt ermee aandragen, en laat me het kaartje zien dat er aan hangt. Er staan drie woorden op: Wij blijven vrienden.
|